1. Voor het blok na een vreemde optocht in Denpasar (1)
Ik voel een windvlaag over mijn gezicht strijken en een tel later begint het te regenen. Niet zachtjes en geleidelijk aan, zoals in Nederland, maar in ene keer, gelijk met bakken uit de hemel! Ik pak m’n tas op en voel me als een figurant in Marty Feldman’s “Instituut voor Moeilijke Lopers” als ik, al plassen en vuilhopen ontwijkend, over de slecht bestraatte Jalan Pulau Misol een sprintje trek naar de hoek met een hoofdweg die een meter of honderd verderop ligt te lonken.
Volkomen doorweekt sla ik even later het hoekje om. Witte letters op een groen straatnaambordje vertellen me dat ik me op de Jalan Teuku Umar bevind. Het is een brede, vrij drukke straat waarlangs veel bedrijfjes, winkeltjes en restaurantjes zijn gevestigd en met vele grote, moderne reclameborden. Ik speur de nabije omgeving af, op zoek naar een geschikte gelegenheid om voor dit noodweer te schuilen. Mijn oog valt op een eethuisje met de naam “Rasa Sayang”, daar een meter of vijftig verderop in de straat. Met een laatste krachtsinspanning trek ik er nog een sprintje uit.
Druipend van het water open ik de deur van het eethuisje en stap er naar binnen. Ik sta even stil in de ingang om op adem te komen en met halfgespreide armen sla ik het water enigszins van me af. Ondanks de regen zweet ik als een otter en ik ben dan ook blij als ik merk dat deze eetgelegenheid van airconditioning is voorzien. Terwijl ik met de vingers van een hand de natte slierten van mijn haardos naar achteren strijk, kijk ik even rond waar het lot me naartoe heeft gebracht. Het is hier behoorlijk druk, zie ik. De meeste`tafeltjes zijn bezet, maar bij het raam daar is gelukkig nog een tafel vrij.
Met m’n voeten soppend in m’n schoenen stap ik op het tafeltje af om het voor ‘t komende uur te confisceren. Het personeel is attent, glimlachend brengt iemand me vrijwel direct nadat ik op de stoel ben neergestreken een menukaart. Rasa Sayang blijkt een Chinees-Indonesisch eethuisje te zijn. Ik zie dat het onder andere ook vegetarisch gerechten op het menu heeft staan. Bovendien is het spotgoedkoop.
Terwijl de Balinese ober geduldig naast me staat te wachten, zoek ik wat lekkers uit. Ik bestel tenslotte een thee en een chap chay met witte rijst. De ober knikt glimlachend en loopt dan naar achteren weg om mijn bestelling aan de keuken door te geven. Terwijl ik wacht op de versterking van de inwendige mens, kijk ik vanachter de crèmekleurige gordijnen door het raam naar de door de regendruppels op de ruit grillig vervormde bedrijvigheid op de Jalan Teuku Umar. Ik ben vanmiddag om twee uur pas op Bali gearriveerd en heb me in de namiddag, vanuit mijn hotel in Legian, per taxi in Denpasar laten afzetten om te voet de stad wat te gaan verkennen. Maar ik had niet verwacht dat ik door zo’n noodweer overvallen zou worden. Ah, daar komt de ober al aan met mijn bestelling.
Een kwartiertje later schuif ik met een tevreden gevoel m’n bord van me af. Het heeft heerlijk gesmaakt, alhoewel de sambal wel erg heet was. Ik bestel nog een thee en kijk weer door het raam naar buiten. Het is inmiddels opgehouden met regenen en het valt me op dat het behoorlijk druk geworden is op straat en lands de stoeprand staat een lange rij mensen die blijkbaar ergens op staan te wachten. Dan wordt mijn aandacht getrokken door een vreemde, kermisachtige optocht die met vlammende fakkels en met veel lawaai van knallende rotjes en schelle fluitjes over de Jalan Teuku Umar voorbij trekt.
Ruud van Ginkel
Hotelier op Bali
Wanneer en hoe ben je voor het eerst met Bali in aanraking gekomen?
RvG: Bij de planning van een trip in 1994 naar Australië werden we geattendeerd op ene Ome Willem. Die zou iets weten te vertellen over Bali. Wij dus naar die Ome Willem, een in mijn ogen oude man die vlak bij ons woonde in een klein huisje en daar gratis prachtig speelgoed van hout voor kinderen maakte. Ome Willem had een bijzonder avontuurlijk leven achter de rug, heeft onder andere aan de Birma Spoorweg moeten werken! Hoewel al 80 jaar ging hij nog steeds ieder jaar naar Australië en Bali. Hij sponsorde daar al vele jaren een Balinees koppel dat inmiddels al drie kinderen had. Het verhaal van Ome Willem sprak ons aan en we besloten om naar Bali te gaan en er ook die mensen te bezoeken.
Om welke redenen heb je je uiteindelijk op Bali gevestigd?
RvG: Compleet ongepland liep ik kort na de bom in 2002 tegen het toen verlaten Adirama Hotel aan. Ik kende het al vanaf 1994 en vond de lokatie prachtig. Ik besloot toen ter plekke om mijn droom om mezelf toch nog nuttig te kunnen blijven maken en de Balinezen daarmee een beetje te helpen, waar te maken.
Uit welk deel van Nederland kom je en wat waren je bezigheden voordat je naar Bali vertrok?
RvG: Ik ben geboren en getogen in Amsterdam maar heb ook nog een paar jaar in het fraaie Friesland gewoond en uiteindelijk nog heel lang in Bakkum, Noord Holland. Ik was in Nederland 40 jaar werkzaam bij Hoogovens (nu Corus) in IJmuiden als manager energie.
Heb je een gelukkige jeugd gehad?
RvG: Ja, ik heb zeker een gelukkige jeugd gehad, alhoewel de oorlogsjaren zeker geen vetpot waren! Mijn vader was chef bij sociale zaken en er kwamen vaak, in mijn ogen vreemde mensen om hulp. Soms met een tulband op of een keppeltje, of in een gekke jurk. Mijn vader vertelde me dan dat hij te maken had met 72 verschillende religies en sektes. Allemaal lieve mensen, zei hij dan, en je moet hun geloof altijd respecteren; als er een zegt dat zijn geloof het enige juiste is dan moet je denken dat kan niet waar zijn, want anders zouden die 71 andere geloven verkeerd bezig zijn. Dat was voor mij wel een belangrijke les.
Wat is voor jou het beste van Bali?
RvG: Het beste van Bali? De prachtige, oude cultuur die hier nog steeds zo intens wordt beleefd. Natuurlijk ook de lieve mensen en het altijd mooie weer
Waar houd je je op Bali voornamelijk mee bezig?
RvG: Ik hou me hier voornamelijk bezig met het runnen van het Adirama Beachhotel, Spa en restaurant in Lovina, in het prachtige noorden van Bali.
Doe je, naast het runnen van je hotel, nog andere dingen?
RvG: Ik lees veel en vind het oplossen van Sudoko puzzels erg leuk. Regelmatig maak ik ook graag een mooie trip, waarbij het rijden op een scootertje over die kleine wegen steeds weer een heerlijke ervaring is. Ook help ik samen met enkele vrienden nog een aantal Balinese kinderen die anders geen kans hebben om naar school te gaan.
Wat mis je van Nederland het meest?
RvG: Amsterdam. Een gezellig bruin café bezoeken, een mooie voorstelling in Carré, of een concert in het Concertgebouw.
Zie je jezelf ooit terug gaan naar Nederland?
RvG: Nee. Ieder jaar ongeveer een maand vakantie daar is heel leuk, maar ik ben altijd weer blij als ik weer op het vliegveld van Denpasar ben geland.
Wilt u in aanmerking komen voor een van de volgende edities van “In gesprek met...”, stuur dan een e-mailtje naar: