Arie Schelling


IN GESPREK MET …

Arie Schelling
53 jaar, Levensgenieter op Bali
Wanneer en hoe ben je voor het eerst met Bali in aanraking gekomen?
AS: Dat was in 2005, in November, op mijn verjaardag. We werden toen opgebeld door vrienden van ons. Die vertelden ons dat je op Bali goedkoop grond met een huis kon kopen en ze dachten dat dat wel wat voor ons was. We hebben uiteindelijk op 5 december beslist om het te doen en hebben via het Internet zo’n huis gekocht.
Om welke redenen heb je je uiteindelijk op Bali gevestigd?
AS: Het klimaat is heerlijk op Bali, het is er altijd zomer, de mensen zijn er fantastisch. En we hebben hier gelukkig geen last meer van de Nederlandse stress.
Uit welk deel van Nederland kom je en wat waren je bezigheden voordat je naar Bali vertrok?
AS: Ik ben in Numansdorp in de Hoeksche Waard, onder de rook van Rotterdam, geboren en getogen. De laatste vier jaar heb ik in Middelburg, op Zeeland gewoond en gewerkt. In Nederland heb ik 27 jaar bij de PTT (KPN/TNT) gewerkt en de laatste vier jaar gaf ik er leiding aan de postbezorgers van T&T.
Heb je een gelukkige jeugd gehad?
AS: Ja, ik heb een goede jeugd gehad, mag ik wel zeggen. Mijn vader was tankwagenchauffeur en reisde heel veel, honderdduizenden kilometers per jaar. Alhoewel we nooit op vakantie gingen, ging ik vaak met mjn vader mee, door heel Europa. Zo kwam ik in Italie, Spanje, noem maar op.
Wat is voor jou het beste van Bali?
AS: Het beste van Bali? Het beste van Bali vind ik dat je er steeds weer opnieuw iets nieuws kunt ontdekken. Bali heeft een werkelijk prachtige natuur met veel verborgen, juweeltjes van plekken waar je absoluut geen toerist tegenkomt, iets wat ik heerlijk vindt. Het is heerlijk om door het oerwoud te lopen en dan opeens een schitterende waterval te ontdekken.
Waar houd je je op Bali voornamelijk mee bezig?
AS: We hebben een mooi huisje in de bergen in het koelere gedeelte van Bali, vlak bij het golfterrein van Bali Handara in Bedugul. Daar kun je heerlijk wandelen in een schitterende natuur. We houden van de stilte van de natuur, alhoewel we het ook wel een lekker vinden om een dagje te shoppen in Kuta.
Doe je, naast wandelen en shoppen, nog andere dingen?
AS: Ja, omdat er in Lovina veel Nederlanders wonen, die toch wel vaak Nederlandse behoeften hebben, heb ik een hotel gesponsored, het Chonos Hotel, waar onder andere Nederlandse gerechten zoals patat, kroketten, bitterballen, hamburgers en dergelijke op het menu staan van een goede, Nederlandse kwaliteit. Dus ik ben ook regelmatig in de bar of het restaurant van het Chonos hotel te vinden om er mijn eigen behoefen aan Nederlands eten te bevredigen.
En ik zou best wel iets constructiefs willen doen om het milieu van Bali te verbeteren. Het is heel jammer dat er overal zoveel troep en zwerfvuil ligt. Da’s gewoon zonde van het eiland.
Ook sponsoren we een kindje in Bali. De moeder van dat kindje was het zusje van onze pembantu. Die overleed tien dagen na de geboorte waarop we besloten om de financieele zorg voor het gezinnetje op ons te nemen, om het kindje en de familie een betere kans op de toekomst te geven.
Wat mis je van Nederland het meest?
AS: De oude kaas. Een harinkje happen.
Zie je jezelf ooit terug gaan naar Nederland?
AS: Nee. Ik heb het hier best naar mijn zin en ik heb absoluut geen behoefte om weer voor vast in de kou en regen te zitten. In Januari gaan we even voor zes weken terug omdat ik voor de eerste keer opa wordt, en die zes weken zijn wat dat betreft lang zat..
Meer over Arie Schelling en het door hem gesponsorde Chonos hotel is te lezen op:
www.chonoshotel.com
Wilt u in aanmerking komen voor een van de volgende edities van “In gesprek met…”,
stuur dan een e-mailtje naar:
pakrobert@hotmail.com

Copyright © 2008 Pak Robert

BALI DOOR DE OGEN VAN NESCIO
“MAGIE IN DENPASAR”
3. Vurige meditatie op een zolderkamertje (2)
M’n hart klopt in m’n keel als ik antwoord dat ik niet bang ben, en ik voeg eraan toe dat ik nog nooit gemediteerd heb en dat ik dus niet weet wat ik moet doen en wat er van me verwacht wordt. Pak Jero herhaalt dat ik me geen zorgen hoef te maken. Ik moet me gewoon ontspannen en diep en rustig adem blijven halen. Terwijl hij me indringend aankijkt, herhaalt hij nogmaals dat ik hoe dan ook mijn ogen open moet houden en dat ik niet bang mag zijn, wat er ook gebeurt. Ik knik en produceer een moeilijke glimlachje in een poging om aan te tonen dat ik hem begrepen heb en dat ik niet bang ben. Dan geeft Pak Jero me een wierookstaafje, staat op en doet het licht uit.
Terwijl mijn hart ik m’n keel klopt, kijk ik in het pikkedonker met wijdopengesperde ogen naar het enige dat nog zichtbaar is, de gloeiende puntjes van de wierookstaafjes.
Ik span mijn ogen en oren tot het uiterste in. Pak Jero bevindt zich voor de tafel, ik zie het gloeiende puntje van zijn wierookstaafje daar omhoogrijzen richting het plafond. Met monotone stem prevelt hij iets in onverstaanbare woorden. Dan is het weer stil en het vermiljoene lichtpuntje daalt weer. Even later hoor ik een schurend, metaalachtig geluid. Ik vermoed dat hij zojuist de kris uit de schacht heeft getrokken. Ik houd mijn adem in en met kloppend hart spits ik mijn oren. Gedurende een paar lange tellen is het doodstil en hoor ik slechts het bloed in mijn oren gonzen. Het gloeiende puntje van het wierookstaafje gaat nu weer omhoog, en ik zie hoe de rode gloed van de brandende wierook zwak weerkaatst wordt door het metalen blad van de kris die door Pak Jero nu samen met het wierookstaafje boven zijn hoofd omhoog houdt. Zijn zachte stem begint weer iets mompelen, en dan daalt het rode vuurpuntje weer. Een korte stilte. Dan, plotseling, hoor ik drie korte, doffe tikken voor me uit de vloer oprijzen (alsof er met metaal op hout wordt geklopt). Pak Jero prevelt weer iets, en dan opeens wordt de stilte doorbroken door het hoge, harde geluid van een bel, “Ting-ting, ting-ting, ting-ting, ting-ting, ting-ting…”
Het harde bellende geluid weerkaatst door de kleine ruimte en doet op den duur zeer aan mijn oren. Terwijl de bel luidt, hoor ik Pak Jero met hardere stem spreken en zo af en toe vang ik een herkenbaar woord op, zoals “Oom”, “Brahma” en “Vishnu”, en ook hoor ik hoe hij enkele keren mijn naam noemt, “Nescio”. Plotseling houdt het bellende geluid op en is het weer doodstil. Ik hoor hoe Pak Jero mijn kant op komt en weer rechts naast me gaat zitten. Uit mijn ooghoeken kijk ik opzij en ik zie hem als een vage witte schim naast me zitten terwijl hij zijn brandende wierookstaafje in stilte boven zijn hoofd houdt.
Plotseling haalt hij luid en diep adem. Ik hoor hoe hij de lucht gedurende een paar langgerekte tellen sissend tussen zijn lippen inhaleert. Even plotseling als het begonnen was, breekt het geluid weer af. Ik houd mijn adem ook in maar wacht tevergeefs af ik tot ik hem weer hoor uitademen. Minutenlang blijft het doodstil en ik begin me ongerust te maken, er zal hem toch niets overkomen zijn? Dan verstijf ik als ik hem ineens weer hoor uitademen. Wat ik hoor is een angstaanjagend, langgerekt en ver geluid dat van achter uit zijn keel schijnt te komen, “Hàhhhhhhhhhhhhh”. Het geluid klinkt onheilspellend, als een monotone wind op een donkere, onherbergzame vlakte. Secondenlang houdt het geluid aan en sterft dan langzaam weg, een doodse stilte achterlatend.
De adrenaline stroomt door m’n lijf en ik voel m’n hart bonken in mijn keel. Het blijft even doodstil. Opeens voel ik hoe een zachte warmte via mijn handen over mijn armen strijkt, waardoor de haartjes op mijn armen overeind gaan staan. Mijn hart slaat een slag over als plotseling, boven de bak aan de muur tegenover me, een rode vuurgloed verschijnt. Ik zie geeloranje vlammen uit de bak oplaaien. Witte vuurvonken zoals dat van sterretjes springen alle kanten op en vallen lekkend omlaag op de tafel en de houten vloer. Even heb ik angst dat het vuur de kamer in lichterlaaien zal zetten, maar dan herinner ik me de woorden van Pak Jero dat ik wat er ook gebeurt niet bang mocht zijn en dat ik mijn ogen open moet houden.
(wordt vervolgd)